We hebben 39 gasten en geen leden online

Unieke bezoekers

3500182
Vandaag
Gisteren
Deze week
-
Deze maand
Vorige maand
Totaal vanaf maart 2013
980
2254
6496
845626
30318
59829
3500182

Uw IP: 35.175.191.72
14-11-2019 12:03

COLUMN: Wijntaal-tovenaars

Onno, de ‘lekkerste’ culinaire schrijver.

 

Je moet er water van in je mond krijgen. Is het adagio van wijnschrijvers die denken dat ze, als het om deugwijnen gaat, daar met hun wijntaal toe in staat zijn. Maar wie de meters proefnotities ziet die op websites en met variabele Pers(wijn)-weeën in ‘onafhankelijke’ papieren media verschijnen, bulkt een kleurloze eentonigheid tegemoet. Kennelijk zijn de proevers niet bedeeld met een taalschat die ze in allerlei nuances en schakeringen creatief naar hun hand kunnen zetten. Gevolg: clichétaal die veel met groenvoer en fruit te maken heeft. Waarin de termen ‘fris’ en 'knisperend' domineren en ‘structuur’ een trouwe component is.

 

 

Zitten we daarop te wachten? Dat niet. Maar wie brengt het tot de vindingrijkheid en de humor om daar licht verteerbare verandering in aan te brengen? Nou, dat kun je leren bij schrijf-‘academicus’ Onno. Zijn naam is Kleyn, maar zijn wijndaden, veertig boeken en een agenda vol culinair en wijn, ‘benne’ groot.

 

Want, zegt-ie over zichzelf op z’n aaibare website:

 

“Een meer doorgewinterde leraar zul je niet snel vinden. Veel collega’s ( aan ‘collegae’ doet-ie nog niet) beschouwen mij als de culinair journalist met de meeste vakkennis. Maar ik ben tevens taaltovenaar. Een woordboetseerder die zaken helder uitlegt. En tegelijkertijd entertainer door telkens frisse, nieuwe manieren van noteren te vinden”.

 

Kijk eens aan, zou wijnzwijger Harry Mens zeggen.

 

Eerder heeft Onno zich tot ‘lekkerste’ schrijver des vaderlands gepromoveerd, al is-ie wel eens aangebrand. Maar die zelfstrelende omschrijving brengt het volk maar op verkeerde ideeën. Vandaar dat-ie minder royaal circuleert.

 

Overtroffen

Bij taal-boetseren hoort niet alleen een breed vocabulaire. Maar ook het vermogen om daaruit aansprekende metaforen te componeren, die zelfs de verbeelding van de geadresseerde te buiten moeten kunnen gaan. En daarin heeft Onno zichzelf herhaaldelijk overtroffen. Zo beschreef hij ooit een wijn als:

“Een giechelende peroxide poes met een uiterst laag IQ. Een pin-up van een wijn. Met een aroma als van een complete parfumeriewinkel. Serieuze wijndrinkers klimmen ervan in de gordijnen. Maar ik zeg: proberen.”

 

Of je daarvan het water in de mond loopt, staat te bezien. Dat geldt ook voor formuleringen als 'netjes op de poten' ‘schurende eerbiedwaardigheid’ of ‘smaak waarop je kunt kauwen’. Dat water zou, denk ik, eerder regeren op deze Onno-laudatio:

 

“Een schitterende hemel-openscheurende versie uit Navarre, kokend van rood fruit, fris sappend en kwijlend lekker”.

 

Of hij zich van mijn kanttekening, dat dan de wijn kwijlt in plaats van de proever, iets heeft aangetrokken, weet ik niet. Maar ik signaleer wel dat sinds die periode de beschrijvingen wat minder theatraal zijn geworden en dichter bij het smaakprofiel staan. In ieder geval doet hij aan wijntaal-vernieuwing, ook al valt de taalacrobaat daarbij wel eens in het vangnet.

 

Zuren met haast

Behalve Onno hebben we nóg een taal-magiër. Harold Hamersma die met z’n bekendste gids De Grote Hamersma niet bedoeld heeft zichzelf op het schild te heffen. ( Hijsen mag ook van de Van Dale) Hij komt uit het reclamevak en kan vanuit die ervaring schilderen met ‘wijnspraak’. Daar rolt vaak wat origineels uit. Niet voor niets heb ik hem destijds als mijn opvolger de estafette-oeuvreprijs voor wijnjournalistiek mogen uitreiken.

 

Bij Hamersma kan een wijn ‘overkomen’ als: “Een roomboterbabbelaar, zachtjes fluisterend naar de kwieke zuren die zich richting afdronk haasten”.

Hij kreeg ook te maken met: “Een vriendschappelijk zoetje” en “Fijngeweven tannines die de mantel der liefde omhangen”.

 

Opvallend bij al die omschrijvingen is dat er veel bijvoeglijke naamwoorden en vergelijkingen in zitten. En dat de metaforen meestal een ‘literair’-achtige klankkleur hebben. Soms trof ik er ‘vondsten’ tussen die beelden oproepen van Vlezigheid in te krappe jurken.

 

Essentieel bij al die vernieuwing is dat de auteurs weten waar hun grenzen liggen. Zodra er een moment komt dat ze in overdrijving doorslaan, haakt de slikker van al dat moois af. Die wil uiteindelijk alleen maar weten of zo’n wijn in de ogen van de taalacrobaat een aanrader is of niet. En dan heeft-ie niks aan: `Aroma´s die vervlogen liefdes vaag aan de horizon laten verschijnen´. Dan lijkt het er eerder op dat de stylist met deze talige ‘oversize’ vraagt om een knuffel van degenen die zijn romantische geest denken te verstaan.

 

Mogelijk zijn de 'gewone jongens' beter af  met de recht-voor-z´n-raap-beschrijving van een Italiaanse collega die ik hier vrij vertaal:

 

´Wijn die tot aan de afdronk dezelfde spanning oproept als vlak voor een ‘orgasme´.

 

Over water in je mond gesproken…